U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

www.rinirikkert.nl

´Leven na de dood´ - ideeën in de kerkgeschiedenis

 

In de christelijke kerken bestudeert men al 2000 jaar generatie na generatie de bijbel, het vormt de basis van het christelijk geloofsgoed. Maar helder en sluitend wordt dat zelden of nooit, omdat het in de bijbel niet gaat om neutrale informatievoorziening: doel is daar in de eerste plaats mensen oproepen tot geloof. Verspreide stukjes 'informatie' kunnen dus niet als een soort legpuzzel in elkaar gepast worden tot een sluitende officiële geloofsleer, al wordt dat wel vaak geprobeerd... Geloof riep trouwens 2000 jaar geleden ook andere vragen en discussies op. Dat is ook precies wat theologie zo interessant maakt: de inhoud beweegt mee door de tijd en verbindt zich met iedere cultuur.

 

AthenagorasAthenagorasDe oudste kerkelijke teksten die bewaard zijn gebleven zijn vooral afkomstig van ´apologeten´: theologen die de nieuwe christelijke leer verdedigden tegenover een spottende, ongelovige buitenwereld. Zo schreef Athenagoras (circa 133-190) de oudst bekende verhandeling over 'de opstanding van de doden' waarin hij de kritiek probeert te weerleggen dat het onmogelijk zou zijn, om ooit na je dood, als de dag van het laatste oordeel aanbreekt, met lichaam én zielweer een nieuw leven te beginnen. Een belangrijk argument: als God een mens kan scheppen – kan hij dat ook een tweede keer. Ook legt hij uit waarom een ander strijdpunt, het laatste oordeel, volkomen logisch is: een rechtvaardige God zal iedereen die zwaar in de fout gaat willen straffen. Tijdens hun aardse leven zien we dat zelden gebeuren – en als ze dood zijn kan het niet meer. Dus moet er wel een moment komen dat ze opstaan uit de dood, mét een lichaam (wat valt er anders te straffen) om straf of beloning in ontvangst te nemen. Geen oordeel zou betekenen dat niemand zich nog hoefde te bekommeren om 'vroomheid, gerechtigheid en andere deugden'…

 

Vanaf de derde – en zeker in de vierde eeuw, als het christendom in het westen staatsgodsdienst wordt – verschuift de aandacht van de theologen naar binnen-kerkelijke geloofskwesties. De basisideeën over een leven na de dood blijven lang gelijk: als christen zal je na je dood na een tussentijd als levende ziel op de 'jongste dag' geoordeeld worden. Daarna zal je, dankzij de voorspraak van Jezus, met lichaam én ziel voor eeuwig worden opgenomen in de hemel. Waar de niet-christenen terecht zullen komen, is vaak wel onderwerp van discussie. Het meest radicale standpunt is, dat alle niet-christenen voor eeuwig in de hel zullen belanden. In 553 wordt tijdens de synode van Constantinopel vastgelegd, dat de hel een eeuwigdurende toestand is. Dat is vooral een reactie op theologen als Origenes (185-254), die vermoeden dat alle zielen via een weg van loutering uiteindelijk terugkeren naar God. Het kan niet anders, zegt hij, dan dat God de hele schepping wil redden (dat levert hem wel een veroordeling tot ketter op tijdens die synode in 553). Anderen denken eerder, dat de zielen die niet naar de hemel gaan op de jongste dag vernietigd zullen worden. Het idee van een louteringsplek loopt uit op een tweedeling: een eeuwige hel en een tijdelijk vagevuur.

kerk St. Denis, Parijskerk St. Denis, Parijs

In later eeuwen is het ook voor christenen zelf steeds minder vanzelfsprekend dat zij ooit naar de hemel zullen gaan. Daar zijn allereerst de ´ketters´ - mensen met afwijkende geloofsideeën. Ze gaan niet alleen naar de hel, maar worden vaak ook bloedig vervolgd. Maar ook gewone kerkmensen lopen gevaar, bijvoorbeeld zij die niet of nauwelijks naar de kerk komen…. Of (en dat geldt eigenlijk voor iedereen) zich in de ogen van de kerk wel eens misdragen.

 

In de twaalfde eeuw onderscheidt de kerk officieel drie gebieden van het hiernamaals: de hemel, het vagevuur en de hel. Het vagevuur heeft de plaats ingenomen van het oude 'tussengebied' tussen dood en jongste dag. Het wordt gezien als een soort variabele straftijd, een 'louteringsperiode'. Er waren verschillende manieren om die tijd te bekorten. Dit had als bijkomend voordeel dat de kerk geld kon verdienen aan bijvoorbeeld aflaten (straf afkopen) en priesterlijke gebeden voor mensen in het vagevuur. Angst voor het hiernamaals wordt zo ingezet als machtsmiddel om mensen in het gareel te houden en ze mee te laten betalen aan het steeds welvarender instituut kerk.  

Franciscus-kerk, AssisiFranciscus-kerk, Assisi

Tijdens de reformatie (zestiende eeuw) worden dergelijke praktijken aan de kaak gesteld, en het vagevuur-idee als onbijbels aan de kant geschoven. Luther vindt een oplossing voor het oude raadsel van een tijdelijke- en daarna een eeuwige hemelse verblijfplaats door te stellen dat overledenen slapen tot de jongste dag. Calvijn is er van overtuigd (en zo staat het ook in de Nederlandse  geloofsbelijdenis), dat alle ongelovigen naar de hel zullen gaan. Die belijdenis uit 1618 wordt nog steeds gehandhaafd, al zijn er steeds minder mensen die dit ook werkelijk geloven. Voor de meeste christenen is 'de hemel' nu niet alleen de verblijfplaats (zonder te weten 'waar' en 'hoe') van God, Christus, de Heilige Geest en de engelen, maar ook van de meeste overledenen. De hel of het vagevuur raakt steeds verder uit beeld, behalve bij de zwaardere orthodoxe- en de evangelische kerken. Daar blijft men – in ieder geval officieel – vasthouden aan de overtuiging dat iedereen die niet bij de eigen christelijke groepering hoort voor eeuwig naar de hel zal gaan. (Zie bijv. de film 'Come Sunday' op Netflix, gebaseerd op ware gebeurtenissen in de jaren 1995/2006).

 

In de hoofdstroom van de christelijke theologie ging men vanaf de 19e eeuw steeds meer de nadruk leggen op dat deel van de bijbelse toekomstverwachting die hier nog nauwelijks ter sprake is gekomen en ook in de kerk te veel uit het zicht was geraakt: de belofte van een nieuwe wereld. Die hoop op een betere toekomst was iets waar we nú aan konden werken. Het geloof in een persoonlijk eeuwig leven werd steeds vager, of verdween soms helemaal. In plaats van verlangen naar een paradijselijk bestaan in het hiernamaals is het een kwestie van hier-en-nu geworden, niet van ginds-en-ooit… Maar zeggen anderen weer, het één hoeft het ander niet uit te sluiten.

 

In het boek 'Christelijke dogmatiek' uit 2011 van de gereformeerde professoren van der Brink en van der Kooi wordt een goed overzicht gegeven van de theologische ontwikkelingen op het gebied van de eschatologie. Dat mondt, voor wat betreft een persoonlijk leven na de dood, uit in de volgende alinea…

 

'museum middeleeuwen Praagmuseum middeleeuwen PraagGelovigen weten zich diep verbonden met Christus, die weliswaar niet meer op aarde is, maar door zijn Geest in hen leeft. De liefde van Christus overbrugt de kloof tussen hemel en aarde en tussen leven hier en nu en leven voorbij de dood. Fundamenteel is de ervaring van de onverbrekelijke liefde die in de dood en opstanding van Christus werd gegeven. Sinds Christus door de dood is heen gegaan en de liefde van God de overwinnende macht bleek, is geen macht meer in staat om de mens onbereikbaar te maken voor deze liefde van God.'

 

Toen ik dit artikel aan het schrijven was, droomde ik 's nachts van een oud lied dat het nog eens simpel en blij onder woorden brengt…

'Glorie voor Jezus, Zijn liefde zo groot!

'k Ben met de Heiland op reis

dwars door dit leven en dwars door de dood

voert Hij mij naar het hemels paradijs.'

 

Het nieuwste protestantse liedboek (lied 952) is meer van de vraagtekens…. Waar zou het zijn, dat land van licht?

wie, waar is God, een stem, een naam?

Wie wijst de weg, ik ben alleen.

Wie helpt mij door het donker heen?

Wie neemt mijn hand en leert mij gaan?

 

In de meeste kerken komt het hiernamaals nauwelijks en hoogstens in vage termen nog ter sprake. Dat is daarbuiten wel anders. Daarover meer in het volgende artikel 'het hiernamaals in de literatuur'.