U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

www.rinirikkert.nl

Bijbelteksten over engelen

 De teksten komen uit de NBV (Nederlandse Bijbel Vertaling). De bijbel is eigenlijk veel meer een bibliotheek in één band, vele verschillende boeken dus, uit verschillende tijden. Misschien kan je zelfs nog beter spreken over twéé bibliotheken, het Oude- (met de Joodse heilige boeken) en het Nieuwe Testament (over Jezus). De opsomming die nu volgt is (nog) lang niet volledig! 

We beginnen met de beroemdste tekst, daar waar de engel Gabriël verschijnt aan Maria. De naam van het boek staat steeds vooraan, gevolgd door het hoofdstuk, en dan eventueel door de verzen. 

Lucas 1:26-31 - Aankondiging van de geboorte van Jezus


In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen.

Dan gaan we nu verder met eerdere teksten uit het Oude testament. Meteen aan het begin van de bijbel komen we al engelen tegen, als Adam en Eva uit het paradijs zijn verdreven; Cherubs in de rol van bewakers:

Genesis 3:22-24:

Toen dacht God: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.

Vind je het een vreemd verhaal? Dat is het ook! Er volgen er nog véél vreemder, die ik even oversla. Het gaat hier hoe dan ook niet om een opsomming van feiten in een geschiedenisboek, maar om oeroude verhalen, met een eigen betekenis. Prachtige verhalen, dat wel. Bijvoorbeeld over de 'aartsvaders en -moeders'.

Genesis 16:7-13 vertelt over de slavin van Sarai, vrouw van Abram: Hagar.  

Een engel van de Eeuwige trof haar in de woestijn aan bij een waterbron, de bron die aan de weg naar Sur ligt. ‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?’ vroeg hij. ‘Ik ben gevlucht voor Sarai, mijn meesteres,’ antwoordde ze. ‘Ga naar je meesteres terug,’ zei de engel van de Eeuwige, ‘en wees haar weer gehoorzaam.’ En hij vervolgde: ‘Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn. Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de Eeuwige heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.’ Toen riep zij de Eeuwige, die tot haar had gesproken, zo aan: ‘U bent een God van het zien. Want,’ zei ze, ‘heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?’

 

Een paar hoofdstukken verder is het wederom zo ver - Sara heeft nu zelf een zoon, Izak, en wil Ismaël en zijn moeder niet meer in de buurt hebben...

RembrandtRembrandt

Genesis 21:14-19

De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, legde dat op Hagars schouder, gaf haar ook het kind mee en stuurde haar weg. Ze trok de woestijn van Berseba in en doolde daar rond. Toen het water uit de zak op was, liet ze haar kind onder een struik achter. Zelf ging ze een eindje verderop zitten, op een boogschot afstand, omdat ze niet kon aanzien hoe haar kind stierf. En terwijl ze daar zo zat, huilde ze bittere tranen. Maar God hoorde de jongen kermen, en een engel van God riep Hagar vanuit de hemel toe: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bezorgd: God heeft je jongen, die daar ligt te kermen, gehoord. Sta op, help de jongen overeind en ondersteun hem. Ik zal een groot volk uit hem doen voortkomen.’ Toen opende God haar de ogen en zag ze een waterput. Ze liep ernaartoe, vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken.

 

Persoonlijk vind ik het verhaal van Jakob (kleinzoon van Abram, zoon van Izak) ook heel ontroerend, die op een scharnierpunt in zijn leven zelfs vécht met een engel. In deze oeroude verhalen wordt er vaak geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen God zelf en zijn afgezant, de engel. Pas later kwam de overtuiging op dat een gewoon mens onmogelijk God kon zien, en het dus wel een engel móest zijn geweest….

Genesis 32: 23-31

Rembrandt: Jacobs gevecht met de engelRembrandt: Jacobs gevecht met de engelHet was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf kinderen. Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant. Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak.Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht.Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ De ander vroeg: ‘Hoe luidt je naam?’ ‘Jakob,’ antwoordde hij. Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’  Jakob vroeg: ‘Zeg me toch hoe u heet.’ Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ Toen zegende die ander hem daar. Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want,’ zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.’

 

Jaren daarvóór had diezelfde Jakob, nadat hij van huis had moeten vluchten, een bijzondere droom: ook in dromen kunnen dus engelen verschijnen – en in die droom is daarnaast ook sprake van een verschijning van God in hoogsteigen persoon:

Genesis 28:10-17

Rembrandt Jacobs droomRembrandt Jacobs droomJakob verliet dus Berseba en ging op weg naar Charan. Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen.Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods engelen omhoog gaan en afdalen. Ook zag hij Jahwe bij zich staan, die zei: ‘Ik ben de Eeuwige, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven. Je zult zoveel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is; je gebied zal zich uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij en je nakomelingen. Ikzelf sta je ter zijde, ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat, en ik zal je naar dit land terugbrengen; ik zal je niet alleen laten tot ik gedaan heb wat ik je heb beloofd.’

Toen werd Jakob wakker. ‘Dit is zeker,’ zei hij, ‘op deze plaats is de Eeuwige aanwezig. Dat besefte ik niet.’ Eerbied vervulde hem. ‘Wat een ontzagwekkende plaats is dit,’ zei hij, ‘dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort van de hemel zijn!’

Teksten uit het Bijbelse liedboek, poëzie over engelen:

Psalm 143: 10

Leer mij uw wil te volbrengen,

u bent mijn God,

laat uw goede geest mij leiden

over geëffende grond.

TazacorteTazacorte

 

Psalm 34:8

De engel van de Heer waakt

over wie hem vrezen, en bevrijdt hen.

 

Psalm 35: 5, 6 (over vijanden)

Laten zij verwaaien als kaf in de wind

wanneer de engel van de HEER hen opjaagt,

laat hun weg donker en glad zijn

wanneer de engel van de HEER hen vervolgt.

 

 

Psalm 78:25 (poëtische hervertelling geschiedenis volk Israël in de woestijn)

zij aten het brood van de engelen,

hij stuurde voedsel dat hen verzadigde.

 

Psalm 91:11, 12, 13 

Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen,

die over je waken waar je ook gaat.

Hun handen zullen je dragen,

je voet zul je niet stoten aan een steen.

Leeuw en adder zul je vertrappen,

roofdier en slang vermorzelen.

(Nog even verder, omdat het zo MOOI is:) 

Ik zal bevrijden wie mij liefheeft

en beschermen wie met mijn naam vertrouwd is.

Roep je mij aan, ik geef antwoord,

in de nood zal ik bij je zijn,

je bevrijden en met roem overladen,

je overvloed geven van dagen.

Ik zal je redding zijn.’

 

Psalm 148: 1/6 - een jubelpsalm:

Halleluja!

Loof de HEER, bewoners van de hemel,

loof hem daar in de hoogten,

loof hem, al zijn herauten,

lSlenakenSlenakenoof hem, heel zijn engelenmacht.

 

Loof hem, zon en maan,

loof hem, heldere sterren,

loof hem, hoogste hemelen,

water boven de hoge hemel.

 

Laten zij loven de naam van de HEER:

op zijn bevel zijn zij geschapen,

hij gaf hun een plaats voor eeuwig en altijd,

hij stelde een wet die nooit zal vergaan.

 

 chagallchagallIn de profetische boeken van de bijbel staan enkele beschrijvingen van visioenen. Verder is wat een visioen genoemd wordt meestal een lange toespraak namens God.

De profeet Ezechiël beschrijft dat zo: (2:9,10) 'Ik keek, en zag een hand die naar mij was uitgestrekt en een boekrol vasthield. Die werd voor mijn ogen uitgerold en ik zag dat hij aan beide kanten beschreven was. Dit stond erop te lezen: Klaagliederen, en gezucht en gesteun.'

 

Jesaja 6: 1-3 (de enige tekst waar 'serafs' genoemd worden)

In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Eeuwige, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ 

Ezechiël 1

Op de vijfde dag van de vierde maand in het dertigste jaar, toen ik te midden van de ballingen bij het Kebarkanaal woonde, opende zich de hemel en kreeg ik een visioen van God. 

Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. In het midden van het vuur zag ik iets dat leek op een viertal wezens. Zo zagen ze eruit: ze leken op mensen maar ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels. Hun benen waren recht en hun voeten, die blonken als gepolijst koper, leken op de hoeven van een kalf. Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, zag ik mensenhanden. De gezichten en vleugels van de vier wezens zagen er zo uit: hun vleugels raakten elkaar, en omdat ze aan elke kant een gezicht hadden, hoefden de vier wezens zich niet om te draaien als ze zich voortbewogen. Hun gezichten leken van voren op het gezicht van een mens en van rechts op de muil van een leeuw, van links op de kop van een stier en van achteren op de bek van een adelaar. Dat waren hun gezichten. Twee van hun vleugels waren naar boven uitgespreid en raakten elkaar, en met de andere twee bedekten ze hun lichaam. Elk van de wezens bewoog zich recht vooruit, waarheen de geest van God hen ook maar dreef, en ze hoefden zich, waarheen ze ook gingen, niet om te draaien. Ze leken op iets dat eruitzag als brandende, vurige kolen; ze zagen eruit als fakkels. Er ging vuur heen en weer tussen de wezens, een gloeiend vuur, en er kwam bliksem uit het vuur. En zo flitsten de wezens heen en weer, als bliksemstralen.

 

Opnieuw keek ik naar de wezens, en ik zag bij elk van de vier een wiel op de grond staan, aan de voorkant. De wielen glansden alsof ze gemaakt waren van turkoois en ze hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. Ze gingen met de vier wezens mee, zonder om te draaien. Hun velgen waren angstwekkend hoog, en elk van de vier velgen was afgezet met ogen. Als de wezens zich bewogen, gingen de wielen mee, en als de wezens opstegen van de aarde, stegen ook de wielen op. Waarheen Gods geest hen leidde, daarheen gingen de wezens: zij volgden de geest en de wielen stegen met hen op, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen. Als de wezens zich bewogen, bewogen ook de wielen, en als ze stilstonden, stonden ook de wielen stil. Als ze van de aarde opstegen, stegen ook de wielen op; een en dezelfde geest leidde immers de wezens en de wielen.

 

En boven de hoofden van de wezens was een soort koepel, glinsterend als ijs, angstwekkend – deze koepel strekte zich hoog boven hun hoofden uit. Daaronder stonden ze, en hun vleugels waren uitgespreid en raakten elkaar. Hun twee andere vleugels waren toegevouwen en bedekten hun lichamen. Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger. Als ze stilstonden vouwden ze hun vleugels weer toe. Toen hoorde ik ook een geluid boven de koepel boven hun hoofd – maar zijzelf stonden stil met toegevouwen vleugels. En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit.

Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de Eeuwige, en toen ik dit alles zag, wierp ik me voorover op de grond. Ik hoorde een stem die tegen mij zei: ‘Mensenkind, sta op, dan zal ik met je spreken.’

 

Het bijbelboek Daniël is één van de laatste boeken van het 'oude testament'. Iedereen heeft wel eens gehoord van 'Daniël in de leeuwenkuil" (6:17-24):

Hierop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen. De koning zei tegen Daniël: ‘Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!’ Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn machthebbers, om te verhinderen dat iemand iets aan Daniëls omstandigheden zou veranderen.

Uit: 'verhalen uit de bijbel' - kinderbijbel met illustraties van Marius van DokkumUit: 'verhalen uit de bijbel' - kinderbijbel met illustraties van Marius van DokkumDaarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding brengen. Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en haastte zich naar de leeuwenkuil. Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient, u van de leeuwen kunnen redden?’ En Daniël zei tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad gedaan, omdat hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan.’ De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen. Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd.

In een eerder verhaal, in hetzelfde boek, zijn de drie vrienden van Daniël ook al eens door weer een andere koning in het vuur gegooid (3:14/28)

Toen de mannen voor de koning waren geleid, voer koning Nebukadnessar uit: ‘Is het waar, Sadrach, Mesach en Abednego, dat jullie mijn goden niet vereren en niet willen neerknielen voor het gouden beeld dat ik heb opgericht? Luister goed, als jullie je bereid tonen om, zodra je de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten hoort, op je knieën te vallen en in aanbidding te buigen voor het beeld dat ik gemaakt heb ... Maar weigeren jullie te buigen, dan worden jullie onmiddellijk in een brandende oven gegooid. En welke god zal jullie dan uit mijn handen kunnen redden?’ Sadrach, Mesach en Abednego zeiden hierop tegen de koning: ‘Wij vinden het niet nodig, Nebukadnessar, uw vraag te beantwoorden, want als de God die wij vereren ons uit een brandende oven en uit uw handen kan redden, zal hij ons redden. Maar ook al redt hij ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren, noch zullen buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht.’

Uit: Verhalen uit de bijbel, kinderbijbel met illustraties van Marius van DokkumUit: Verhalen uit de bijbel, kinderbijbel met illustraties van Marius van DokkumNebukadnessar werd razend, en met een van woede vertrokken gezicht keek hij Sadrach, Mesach en Abednego aan. Hij gaf opdracht de oven zevenmaal heter op te stoken dan men gewoonlijk deed. En hij beval enkele van de sterkste mannen uit zijn leger om Sadrach, Mesach en Abednego te knevelen en in de brandende oven te gooien. De mannen werden gekneveld en met kleren en al, met jassen, broeken en mutsen, in de brandende oven gegooid. Omdat het bevel van de koning strikt was opgevolgd en de oven uitzonderlijk heet was gestookt, werden de mannen die Sadrach, Mesach en Abednego naar boven brachten door de uitslaande vlammen gedood. De drie, Sadrach, Mesach en Abednego, vielen gekneveld in de laaiende oven.

Toen sloeg de schrik koning Nebukadnessar om het hart. Hij stond haastig op en zei tegen zijn raadsheren: ‘Wij hebben toch drie geknevelde mannen in het vuur gegooid?’ Zij antwoordden: ‘Zeker, majesteit.’ Hij vervolgde: ‘Maar ik zie vier mannen vrij rondlopen in het vuur. Ze zijn ongedeerd en de vierde lijkt op een godenzoon!’ Nebukadnessar liep naar de deur van de brandende oven en riep: ‘Sadrach, Mesach en Abednego, dienaren van de hoogste God, kom naar buiten, kom hier!’ Toen kwamen Sadrach, Mesach en Abednego uit de vlammen naar buiten. De satrapen, stadhouders, gouverneurs en raadsheren van de koning drongen naar voren. Ze bekeken de mannen en zagen dat het vuur geen vat had gekregen op hun lichaam. Geen haar op hun hoofd was verschroeid, hun jassen waren nog heel, er hing zelfs geen brandlucht om hen heen.

Nebukadnessar nam het woord. Hij zei: ‘Geprezen zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die zijn engel heeft gezonden en zijn dienaren gered. Zij hebben zich op hem verlaten, zij hebben het bevel van de koning genegeerd en hun lichaam prijsgegeven, omdat zij voor geen andere dan hun eigen God willen neerknielen of buigen. 

 

In het 'nieuwe testament' staan na de verhalen over het leven van Jezus nog een aantal brieven, geschreven door zijn leerlingen aan de eerste kerkgemeenschappen. Ook hier vinden we zo nu en dan een opmerking over engelen:

brief aan de Kolossenzen 1 – de apostel Paulus over Jezus; de onzichtbare 'machten en krachten' slaan op de engelen:

Beeld van God, de onzichtbare, is hij, eerstgeborene van heel de schepping: in hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare, vorsten en heersers, machten en krachten, alles is door hem en voor hem geschapen. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem.

 

brief aan de Hebreeën 1: 6, 7, 13, 14

Inleiding waarbij vooral de macht van Jezus benadrukt wordt afgezet tegen de engelen…

Maar wanneer hij (God) de eerstgeborene (dat is Jezus) de wereld weer binnenleidt, zegt hij: ‘Laten al Gods engelen hem eer bewijzen.’ Over de engelen zegt hij: ‘Die zijn engelen inzet als windvlagen, en zijn dienaren als een vlammend vuur.’ (citaat psalm 104:4)

Tegen wie van de engelen heeft hij ooit gezegd: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt’? Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding?

 

Uit de vier eerste boeken van het nieuwe testament, de evangeliën, oftewel de verhalen over het leven van Jezus:

 

Matteus 4 ; 10, 11 Jezus in de woestijn: Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’ Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen.

 

Hier een tekst waaruit je zou kunnen concluderen dat we allemaal een beschermengel hebben: 

Matteus 18: 10 Jezus over belang kinderen: Waak ervoor ook maar een van deze geringen te verachten. Want ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader.

 

Matteus 26:52,53 (Jezus wordt gevangen genomen, iemand probeert de strijd aan te gaan door met een zwaard te zwaaien en een oor af te slaan) 

Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen. Weet je niet dat ik mijn Vader maar te hulp hoef te roepen en dat hij mij dan onmiddellijk meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen?